Toen
ik nog heel klein was, was ik altijd gefascineerd door de volle
maan. Als heel klein meisje vond ik het sprookjesachtig mooi en
toen ik een ouder meisje werd, vond ik het spookachtig (stel je
nu eens voor dat al dat bijgeloof eens waar zou kunnen zijn…).
Maar
toen ik nog zo klein was dat ik de volle maan als een sprookjesachtig
mooi vond, mochten Erik en ik altijd met open gordijnen slapen.
Dat gaf een mooi schouwspel in onze slaapkamer. De kamer werd
verlicht door deze prachtige maan, wat ons een lange tijd kon
entertainen. Want wij konden daar eindeloos lang naar staren en
genieten. Het had voor mij een beetje het idee van een
Sprookje van Duizend en Een Nacht; eigenlijk een beetje tot
het romantische toe. De ultieme echte Efteling-gehalte.
Later,
toen ik inderdaad een ouder meisje was, vond ik de maan een beetje
eng. Ik zat in de periode dat ik bang was ‘voor de monsters
in de kast’. Toen moesten de gordijnen potdicht en vond
het heel akelig om zelf in het donker de gordijnen dicht te doen
wanneer de volle maan door de bomen scheen. Het park, waaraan
mijn slaapkamer lag, zag er in mijn ogen er spookachtig uit, een
enge moeras waar akelige beesten uit konden kruipen, of nog erger…
enge duivels die wel eens door dat park konden gaan spoken, met
de angst dat ik ze zou zien, terwijl ik ze niet wilde zien.
Nu
kan ik van de volle maan genieten en acht mezelf echt nietig wanneer
we over de snelweg naar huis rijden en we zien dezelfde volle
maan als de andere automobilisten, of dezelfde volle man als de
volle maan die over een korte tijd later of (tis hoe je het bekijkt)
korte tijd eerder aan de andere kant van de wereld met behulp
van de zon zijn schoonheid aan ons toont.
Ondertussen
hoop ik stiekem dat ik ooit weer die Efetling-Sprookje-van Duizend-en-Een-Nacht
kan oproepen, want hé, datzelfde kleine meisje ben IK.